Beste lezers, zoals jullie misschien al zullen hebben vernomen is de stichter en beheerder van deze site op 7 december 2016 overleden aan de gevolgen van een ongelukkige val. Deze en de indirecte gevolgen van zijn ziekte zijn hem fataal geworden. Robert wordt zeer gemist door alle vrienden…..

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Dagboek van een dichter

Bij Boeddha waar ga ik aan beginnen? Het zoet van Zoetermeer dat in de winter bitter smaakt zelfs al schijnt de zon. Een gelaten wegdromen bij de centrale verwarming in een buitenwijk en weer weten wat het is om Sinterklaas in Nederland te vieren, oud en nieuw, begrippen die de maand december haar stemming geven, maar zijn verlopen in commer-cieel gekrakeel of eindeloos nogal scherp debat over het zwarte van Piet. Toch is het goed om weer op oude bodem te landen, vertrouwd is een te groot woord, zelfs nu mijn lijf een ernstige ziekte onder de leden heeft.
Uit het dagboek van een dichter, een zwaar gewicht, maar nu iets lichter om het vermale-dijde rijm een zin te geven, de zin die het verdient al wordt er geen cent aan overgehouden, integendeel… Het is dat ik werd gevraagd om nog eenmaal een lezing met voordracht te geven voor een literair genootschap, lieden die immer nog genieten van de schrijver waarom het draait. De te vroeg overleden Boudewijn Büch, met puntjes op de letter u, en zeker niet het minst kleurrijke figuur binnen de Nederlandse literatuur. Jaarlijks krijgt hij zijn dag met een keur aan acte de presence, sprekers die hun bewondering en bevindingen delen en zo de legende in leven houden. Ik ben vereerd dat ik mijn steentje daaraan mag bijdragen en dat het niet des aanstoots zal zijn.
Het is een ezel die zich graag mag stoten zegt het spreekwoord, zonder zich te schamen. Niets is minder waar, de mens doet niet onder in ’t grauw haar eigen geworden.
Die steen zal het laatste zijn waarover ik spreek nadat mijn kijk op Boudewijn (zo heet de lezing) smoel heeft gekregen op een locatie die tot de verbeelding spreekt.
Het nieuwe cultuurpaleis aan het IJ naast het Centraal Station. De Amsterdamse openbare bibliotheek (zondag 11 december). Eindelijk in de hoofdstad die waarlijk iets heeft uit te dragen waarvan de rest van het land zou moeten zeggen: “Goh, dat wil ik ook.” Niet alleen lezen doch horen hoe de mond van een dichter zich roert zonder zich in vreemde bochten te begeven of wringen zoals dat met een gelikt woord heet. Aan wringen wordt niets verzwikt. Amsterdam, ik kom eraan.
Ik zal ook weer vertrekken en nog wel dezelfde dag omdat ik niet aan het IJ logeer en meer; woon in het land achter de duinen en beschermd door dijken, waar alles werd gekana-liseerd en vastgelegd tot op de laatste meter die om ’t beter weinig ruimte biedt. Geestelijke ruimte vooral, om vrij te kunnen en mogen denken en daaraan ook uiting geven zonder op de vingers te worden getikt of op ’t vestje gespuwd door buren die vinden dat jij niet aan hun beeld voldoet.
Vandaar dat ik koos voor een vrijwillig exil in de tropen, waar ik altijd het voordeel van de twijfel krijg omdat mijn cultuur nooit ten volle zal worden begrepen en dus de vrijheid verleent die het vaderland laat smoren in een niets ontziende dwang tot controleren, bemoeizucht. Het land van klein burgerlijke beambten afgemeten in hun passende plaatje. Voor kunst is er nauwelijks klimaat hoewel het massaal wordt bedreven en op los zand lijkt te drijven of dermate werd geïnstitutionaliseerd, dat de werkelijke waarde ervan verdween. Het blijft praten tegen koud water dat maar niet warm wil lopen voor bepaalde zaken. Het is als blaffen tegen de maan of wachten op Godot, een persoon die tegen de vermeende afspraak niet komt opdagen. Dan sta je daar aan het station met een bosje bloemen in de hand. Wachten tot ze verlept zijn heeft geen zin. Wachten tot je een ons weegt zoals dat in de taal bloemrijk wordt verwoord. Mijn ziekte (myelofibrose) is hard ernaar op weg.

Slapen onder de rook van Den Haag

De zaligheid van Zoetermeer dan maar, het onvolprezen van ergens wonen. Waar geen architect compassie toonde en liet zien dat het vak in zijn vingers zat en waarschijnlijk wel had maar door de ambtenarij werd geamputeerd met als gevolg een lege aanblik van een slaapzone waar men beter slapen kan om het niet te hoeven zien. Weinig schoon om te bewonderen, weinig opvallend, haar hart is een koud kloppend stenen orgaan waarin de dingen die bestonden zijn vervlogen met de waan het volk een dak boven het hoofd te bieden. Dat men daarbij overging tot stapelen heeft te maken met het aantal.
Vol is vol sprak ooit een vermaarde doch vermoorde politicus wiens ideeën zeker niet strookten met die van mij, echter, daarin had hij wel gelijk. We leven met te veel te dicht op elkaar, het kan niet goed zijn voor het evenwicht, voor de gemoedsrust, hoewel velen er bij zweren, bewust dan wel zonder enige notie. Een kip kakelt niet zolang zij de ren heeft een paar graantjes en een beetje water. Dat ik het rennen in de ren zolang heb vol-gehouden. Waarschijnlijk vanwege de kost die voor de baat bleef uitgaan. Een been om op te staan, een houten been van een piraat met weinig oog voor het decorum. Geënterd werd er niets, er viel geen eer aan te behalen. Geen feest, een zweer die nooit geneest en individueel blijft zweren, het is niet gevaarlijk.
De eerlijkheid gebiedt om dit te zeggen, ik zou het ook gewoon naast mij neer kunnen leggen, iets dat in principe al is gebeurd. Vrede in de tent, het doek over de continenten en blijven zoeken naar de ontbrekende stukjes van een puzzel in de hoop dat het past. Zonder hoop is alles dood. Zonder hoop geen leven, jammer dat het altijd zo zwaar moet zijn. Een cliché dat zich keer op keer laat vertellen omdat het verhaal nu eenmaal geen einde kent of wil kennen. Het verhaal dat graag mag dwalen en daarvoor ook de tol betaalt. Tot het op een dag zal zeggen: “Verrek, ik ben verdwaald, wie haalt mij uit mijn misère, wie geeft mij reserve tijd?”

Een spel zonder einde

Laat mij maar spelen, het spel van weten wie en wat je bent doch vooral waar het staat. Niet hoe het zal gaan staan, tijd ontbreekt.
Er was een morgen die gezond de middag omarmde en later de avond verwarmde tot het op een zekere nacht verdronk. Er was een morgen waarin alles begon, maar zich niet liet herhalen. Nee, geen tranen, voor huilen is het nu te laat.
Er bestaat geen zonde of zoiets als broodkruimels die werden uitgestrooid om de weg terug te kunnen vinden, maar geen rekening hielden met pikgrage vogels. Laat mij klein Duimpje zijn doch niet een duim waaruit vrijelijk wordt gezogen, gelogen als het moet, de leugen regeert. Gun mij het klein van onbesproken, geef mij het recht te zijn wie ik ben. “Ik,” sprak de dichter bewogen, bevlogen, maar deed verder het zwijgen ertoe.

Deze column onder het mom van vertrekken laat ook een traan, vormt de aanleiding tot een nieuw werk met dezelfde titel en zal in aangepaste vorm daarin worden opgenomen. Een en ander gaat verschijnen in een beperkt genummerde oplage (bibliofiel) doch zal vooral kunnen worden besteld als regulier werk; bestand op schijf (cd-rom) het zoge-noemde POD principe – Print on demand. De nieuwe stijl van RMB literair (sinds 1974) en passend bij een marginaal opererende schrijverij. Het is en blijft een (w)aardige hobby hoewel het karakter ervan in de loop der tijd veranderde. Meer eigen en minder vrijetijds-besteding. Commercialiteit is het andere uiterste, streven naar winst, een nobel streven, men neemt wat ervan mee, niet RMB.   

Geplaatst in Aankondigingen, Column, Dagboek, Nieuw werk, redactioneel, Van de werkvloer | Een reactie plaatsen

De fictieve brief

Zeer geachte heer van Dis,

of had ik Adriaan mogen zeggen? Amice ware te vrijpostig geweest daar wij elkaar niet kennen althans van twee kanten. Al zijn we confrère – kunstbroeder zoals dat op z’n Hollands heet – blijf ik (ook een naoorlogs kindje) achter in de schaduw die jij met succes wist op te werpen. Jij, als ik zo vrij mag zijn om de nogal plechtstatige beleefdheidsvorm te verlaten.
Het heeft ontegenzeggelijk te maken met een zekere instelling, een behept zijn die met schrijven op zich niets heeft te maken, maar wel weet het te verkopen. Nobel in een enkel geval doch niet onder alle omstandigheden of tot in den treuren.
De zwier en zwaai waaraan niet valt te ontkomen. Men moet het vooral willen en voor-alsnog straal jij dat ten volle uit. Anders dan destijds bij: Hier is… ofschoon ook ik toen het kon waarderen zonder pedant te vinden, iets waar menigeen over viel in plaats van ervoor. Wat zong Peter Koelewijn ook alweer? ‘Je wordt ouder papa, je wordt ouder…’
Daarmee beslist niet kouder, meer de glans van goud.
In de wereld draait door, als tafelheer van Matthijs, laat je dat af en toe zien. Een verade-ming in ’t ondermaanse waarin Facebook de toon bepaalt. Een verweesde wereld, waar men met oppervlakkigheid de dag laat verstrijken.
Het lezen van jouw oeuvre is iets waar ik eerst recent aan ben begonnen. Zelf schrijven en tegelijkertijd lezen wat anderen produceren gaat in mijn geval mank, bovendien lees ik niet zo maar, lezen omwille van het lezen, het lettervreten om bij jezelf vandaan te blijven of omdat de opinie het aanbeveelt.
Het heeft iets voyeuristisch, lezen over het reilen en zeilen van een schrijver hoewel hij of zij dat bewust zo heeft opgeschreven en in die zin geen medelijden verdient. Een roman is wat anders, die staat niet in de eerste persoon, die is verzonnen, en ja, ook dat is schrijven alleen niet mijn stijl althans te allen tijden.
Het is dus niet slechts een vraag van tijd, tijd moet men maken, die wordt niet gegeven en ik hoef niet uit te leggen dat een schrijver tijd nodig heeft. Hoe anders krijg je een zekere melancholie op papier, het heimwee en onbestemd verlangen?
Zo lees ik het in elk geval en wil ik ook graag lezen, tussen de regels staat zoveel meer dan erop. De kunst of toch een kunstje dat omwille van een ander belang telkens weer wordt geflikt? Nee, kinnesinne, veeleer een ooit opgeworpen vraag nadat ik begon over ‘het vak’ na te denken – de vorm van creatieve uiting – en een eigen visie erover heb ontwikkeld, een filosofie die niets schuwt of onaangenaamheden uit de weg wil gaan.
Als collega in exil (vrijwillig hoor) valt het niet mee om een ‘van Dis’ op de kop te tikken, de vis wordt duur betaald. Uit het rijtje waarvan dit is gelukt spreekt een stem die mij laat zwijgen omdat het krijgen op de een of andere manier werd vervuld, en dat boeit mij in hoge mate. De kraam van een schrijver waarin nu eens niet iets wordt uitgekraamd.
Wat dan wel is voor later wanneer het jou behaagt daarop in te gaan.
Dit moest en wilde ik even kwijt, de onherroepelijke inslag wanneer je ergens aan begint (in dit geval van Dis lezen) en om zo meer wanneer het aanslaat. Het zij zo.
Met hartelijke groet van pen tot pen, dat hij lustig mag schrijven.

Post Scriptum. Het rijtje in exil zover, louter ter informatie. Barbaar in China, Casablanca, De rat van Areas, Nathan Sid, Op oorlogspad in Japan, Stadsliefde, Zilver en Zoen.
In bestelling zijn: Dubbelliefde, Indische duinen, De wandelaar, Palmwijn, Het beloofde land, Familieziek en Het Mussenjong.
Een ding is een klein geluk, de prijzen van jouw werk in het antiquariaat vallen mee, echter niet de verzending, vandaar. Het zal een langzaam proces worden om een en ander aan-gevuld te krijgen. Compleet…?
Een bibliofiele neiging, soi, maar er is meer dan slechts ruiken aan een ruggetje.
Er is meer, en dat is uiteindelijk waar het om draait, de rest is een prettige bijkomstigheid, versiering, zonder feest blijft alles dood.

De fictieve brief; verdicht omdat hij nooit aan de geadresseerde werd verzonden, maar door publicatie het met een omweg wel doet.

Geplaatst in Adriaan van Dis, Brieven, exil, Literaire leven | Een reactie plaatsen

Het wel en wee van de uitgeverij

De uitgeverij heeft weer geproduceerd, lang geleden dat deze tak van RMB (literair) van zich liet horen. Het is dan ook een liefhebberij en geen gewin, verre van, eerder een verliespost in boekhoudkundige termen en stilte gedragen.
Er valt geen hartstochtelijk uit te oefenen die uiteindelijk niets kost.
Onze Oosterburen hebben er een mooi woord voor: Leidenschaft, lijden is het enige waar-door het vorm kreeg. Ruim dertig jaar alweer sinds de eerste werken in het begin der jaren zeventig verschenen en sinds dien een gestage stroom, maar traag.
Desalniettemin, om dit pracht woord met al haar opgesloten tegenstrijdigheid  en voorbe-houd te gebruiken.Wel overwogen, daarom wellicht zo mooi.
De dag waarop ik een ISBN registreer – Internationaal Standaard Boeknummer – is voor mij het officiële moment waarop een werk werkelijk verschijnt. Op de tekentafel ligt het eerder, soms jaren en wordt eraan geschaafd. Werken in de marge waar het uiteindelijk omgaat, daar speelt het creatieve proces zich af, zinnen die zinnen op iets nieuw en een plot verzinnen. ISBN, het stamnummer is 90 70144, een pakket van honderd. Voor ik alle nummers heb vergeven ben ik honderd, deze stam gaat een leven mee. Ik ben bijna op de helft.

978 90 70144 47-0

Staat voor een glimmende verpakking van stainless staal gevuld met vergeten verzen en kreeg als naam: Een doosje vol verlangen. Een doosje van fatsoen waarmee de schrijver het moet doen of beter gezegd deed, eenmaal uitgegeven is het klaar.

978 90 70144 48-7

De voorlopige kroon op alle werk en heet: De welversneden pen, met als ondertitel: schets van schrijverschap en bibliografie. Niet te verwarren met een biografie waarin het persoonlijke van een schrijver aan bod komt.
Een bibliografie vertelt vooral over wat hij heeft gedaan, een lijst van alles dat werd uitge-geven of op andere wijze werd gepubliceerd en daarmee in de openbaarheid trad.
Het werd een werkje (formaat A4) van dertig pagina’s, niet slecht voor een amateur in de marge. Wat het moet gaan kosten weet ik niet, dat is iets wat ik nooit heb geweten of wel-licht niet wilde weten, omdat kunstzinnigheid en geld eigenlijk geen raakvlak kennen doch per saldo wel hebben.
Mij ware om het liefst wat de gek ervoor geeft of vriendelijker gezegd; wat een liefhebber ervoor wil betalen, hoewel dat natuurlijk een gemeen instrument is waardoor de klant wordt gedwongen zich bloot te geven. Ik bedoel; voor een heitje wordt het karwei niet ge-klaard of meer eigentijds, één euro is weinig waard.
Het is verder geen levenszaak ofschoon het schip eerder zinkt dan blijft drijven.
Er bestaat een Facebook site (RMB literair) zelfs met winkel waar de kassa zachtjes mag rinkelen zo lang het geen massa wordt. Daarvoor werd het niet geschapen, dat laat ik met liefde een ander, een commerciële uitgeverij bijvoorbeeld, de Bezige Bij, meer dan bezig, een beetje stekelig ook.

Het degelijke van de Degel

Nog een woord tot slot over het bibliofiele karakter dat ongemerkt de manier van uit-voering speelt. Bibliofiel (liefde voor boeken) in de zin van dat het zeldzaam is en slechts in kleine oplage verscheen en blijft verschijnen of zoals recent eerst op aanvraag (lees bestelling) wordt gereproduceerd.
POD – print on demand. W
at dat betreft gaat het met de tijd mee.
Het is niet mijn tijd, die bleef steken in een ouderwetse drukkerij waar met de hand wordt gezet uit een letterkast en machtige pers op geschept papier het stempel drukt, vervolgens in leer of linnen gebonden met hard kaft. Het geldt, maar geen geld ervoor, wel voor over dus toch de zonde.
Om min of meer tegemoet te komen aan het verlangen, staat er een GUT op stapel zonder ISBN. Gut staat voor gelegenheidsuitgave. Een brief voor deze site geschreven en daar als platte tekst ook zal verschijnen in delen, ruim vijfduizend woorden.
Van die brief wil ik zeven aparte exemplaren maken weliswaar met dezelfde bescheiden middelen die eerder werden gebruikt. In elk geval geprint op chique papier en vorm-gegeven op groot formaat (A4) dat werkt steeds nog het meest handig.
Voor het eerst in de geschiedenis zal niet één exemplaar worden weggeven of worden geschonken aan een vriend. Zelfs de KB (Koninklijke Bibliotheek en ze hebben bijna alles) mag het kopen willen ze het in hun collectie hebben of wachten tot ik dood ben en dan erven voor de erven het in de vuilnisbak smijten. Zo handelen gerechtelijke verwanten wanneer ze geen gevoel voor bepaalde zaken hebben. De dood kan het niet schelen, wat was nam hij mee en
geen papier dat gestaag vergeeld. Zolang het leeft heeft het leven en een lijst van zeven is niet lang. Nummer 1 is op voorhand vergeven, die blijft van mij. Intekenen dus, de prijs mag men zelf bepalen. Een prijs moet er zijn.

Geplaatst in Bibliografie, boekbespreking, Nieuw werk, Publicaties, uitgeverij, Van de werkvloer | Een reactie plaatsen

Het culturele klimaat van Chiang Mai

Ooit de droom gevat dat dit oord een ideale plek zou kunnen zijn voor gevluchte kunstenaars en minder voor gestrande badgasten die de kust vermissen. Een plek om hen (de kunstenaar of kunstzinnige) in alle rust en zonder dwang gelegenheid te bieden hun kunnen ten volle te benutten of genieten.
Kunst in exil, omdat het vaderland om de een of andere reden het niet dragen kan of wil. Omdat het vaderland verstrikt is geraakt in andere belangen die haaks staan op de kunst of meer specifiek; het eigen aan die kunst dwarsliggen.
Zeg niet dat men dom is, want dat is men niet, hooguit een beetje kortzichtig (bekrompen) of zo men wil: weinig kunstzinnig. Ik heb het over een omstandigheid waarbinnen alles vanzelf gedijd, niet een opgelegde toestand, en al helemaal niet apart gezet. Een klimaat voor gevorderden of nog erger; intimi. Het ons kent ons, wij zijn anders, en soms daaruit geleend verkeerd standpunt in termen van goed, beter, best. Vooral laatste!
In dat opzicht is geen mens anders, iedereen is gelijk met zijn of haar capaciteiten, zijn vermogen om vorm te geven of onvermogen in het uitsluitend consumeren.
Daar schuilt de filosofie.
Niet dat er in de Lage Landen geen kunst zou worden gemaakt en genoten, integendeel, het is alleen jammer dat het schuil gaat achter een elitair masker. Betreurenswaardig dat de afzonderlijke bolwerken binnen het begrip zichzelf meer om meer hebben verhard door bovenal zich af te schermen en niet of nauwelijks nieuwkomers in het vak een eerlijke kans te gunnen bang als men is om de eigen positie te verliezen. Zelfs wanneer dat het geval zou zijn, wat dan nog? Ging het uitsluitend daarom of was de kunst in welke vorm ook belangrijker?
Kunst maken is en blijft een solitaire aangelegenheid, daar vallen alle democratische regels weg, daar heeft een ander geen inspraak of zich mee te bemoeien. Democratische kunst zou een verwaterd beeld opleveren waarin het grauwe van de middelmaat zich laat weerspiegelen, of men dat kunst mag noemen is de volgende vraag op een lange weg van vragen en weinig antwoorden.
Het lijkt een chronisch gebrek aan empathie te zijn, alsof er genen bestaan die zich voor dit werk niet hebben ontwikkeld. Behept zijn met platvloersheid en verder alleen gericht op voortplanting plus een goed gevulde maag.
Een constatering die op de eerste plaats een brede ingang moet zien te vinden, bewustzijn creëren, vooral bij hen die het betreft, om te zien of het verschil kan maken.
Veel is domweg blijven haken in het begrip dat het zo moet zijn zonder dat daar werkelijk een grond voor aanwezig is. Een hele stap vooruit wanneer het zover zou kunnen komen.
Natuurlijk zal er altijd een zekere rest achterblijven waar geen land mee valt te bezeilen. In zoverre gaat het gelijk niet op en blijft het wel degelijk anders, doch een ander anders dan een aangemeten. Dit heerst van nature, en daar zal nooit verandering in komen wat men ook probeert. Desalniettemin mag het nooit de aanleiding vormen om dingen op te delen in kampen en van daaruit elkaar bestrijden.

De beklemdheid van armoede

Het culturele klimaat van Chiang Mai, en op de Thai betrokken zei een collega (beeldende kunstenaar) dat er nauwelijks cultuur kan zijn omdat er nog te veel armoede heerst. Mondje eerst, dan het verhaal.
Hij heeft gelijk, in Chiang Mai is kunst meer verheven dan het in Nederland ooit is geweest. Verder heb ik er weinig zicht op, ik behoor niet tot het ‘onder ons’, ik heb geen netwerk opgebouwd van belangrijke vriendjes. Ik lobby niet voor eigen werk (schrijverij) evenmin ik ermee ga leuren. Ook ben ik niet teleurgesteld, dit echter moest ik even kwijt. Ik ben dik tevreden met het gekozen besluit om mijn vaderland te verlaten. De band ermee zal ik niet verliezen, van een afstand knelt het minder dan wanneer men er verkeerd.
Het is een gevoel, iets dat men heeft en niet direct valt waar te nemen, daarvoor moet men lang er toeven, te lang wellicht om de gevolgen ervan teniet te doen. De uitspraak is ge-vallen, de rechter van het leven heeft gesproken: “Thou shall be exposed to your pears…!” Hoe zalig is het dan om in den vreemde op adem te komen.  

Geplaatst in Column, Cultuur, exil, Thailand | Een reactie plaatsen

Het in- en uitzicht van de pen

Veel in het leven glijdt onopgemerkt langs elkaar heen en moet dat vooral blijven doen om niet te worden opgezogen in saaiheid of begraven met de waarden die een ander vertegen-woordigt en uitdraagt al dan niet met verve.
Het sociale en tevens teleurstellende zelden een andersvlieger te treffen – een die buiten de box durft te denken. Veelal zij die braaf hun natuurlijkheid uitleven en daar te pas doch veel te onpas, kond van doen al dan niet verholen.
Het is de ervaring die wijs maakt en iedere valse hoop dat er meer rondlopen die iets van diepere interesse met gretigheid willen delen als sneeuw voor de zon liet verdwijnen.
Ik noem dit op de eerste plaats sociale filosofie, het vermogen om kritisch te kunnen na-denken zonder daarbij gelijk tot een alomvattende conclusie te hoeven komen.
Het open laten van een gegeven kan tot een ander inzicht leiden in plaats van nogal afge-meten de dingen in een kader plaatsen (lees: hokje) en daarmee (zogenaamd) begrijpelijk gemaakt.

Uiteraard ging aan dit verhaal een verhaal vooraf, maar omdat te vertellen heeft men tijd nodig en tijd is iets waaraan het in ons tijdperk schijnt te ontbreken.
Dezelfde filosofie heeft ook geleerd om met enkele fragmenten (flarden van een verhaal) een totaal te zien, en ook hier zonder een stop erop te doen. Het is geen hoog hek dat men stevig afsluit met een hangslot bang als men is voor ongewenst bezoek. Het is de kunst van zoeken en blijven zoeken tot er een zeker evenwicht wordt gevonden.
Een passage uit mijn nog te houden voordracht (een praatje over… en iets uit eigen werk) op de komende Boudewijn Büchdag in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam op zondag 11 december, spreekt wat dat betreft boekdelen. Nooit krijgt men iets op één lijn, laat dat een les zijn voor elk beginnende doch bovenal gevestigde schrijver.

Nooit meer huilen

Het is veel, heel veel, en de lezer valt er zomaar middenin. Iets waarmee ik ruim veertig jaar geleden ben begonnen het te ontwikkelen. Het jaar waarin mijn eerste gedichten-bundel verscheen (1974) houd ik gemakshalve aan als het begin aller dingen.
Nee, het laat zich zeker niet lezen zoals nu wordt geschreven, maar dat kan ook niet.
Moet men zich schamen voor een ontwikkeling?
Moet men boos zijn op zichzelf wanneer de oude woorden worden herlezen?
Natuurlijk niet doch hoeveel kunstenaars schamen zich steeds nog voor hetgeen zij bij aanvang deden? Een valse perceptie, want alleen het totaal bepaalt de uiteindelijke waarde.

Laveren in de marge

De tijd ontbreekt, anders had ik graag wat meer op tafel neergelegd (ter inzage) om mijn filosofie te onderstrepen, maar we leven nog en de tijd zal ons dienen.
Anderzijds; indien men weet hoe je krenten uit de pap kunt vissen, de stukjes op deze site zijn vooral bedoeld om bedoelde filosofie te onderstrepen of ik daarin ook (voortdurend) slaag is niet aan mij om te beoordelen.
Dat het anders is dan de doorsnee huis – tuin en keukenpraat moge duidelijk zijn en daarmee wordt men niet bekend, laat staan beroemd, mocht men een dergelijke ambitie al koesteren. Het ambacht (schrijven) is in velerlei opzichten ouderwets. Schrijven is en blijft een solitaire bezigheid, een pen en papier, jouw hand en ziel, verder niemand of iets dat de zaak komt verstoren. Maak daarmee maar eens een broodwinning, dan moet er veel – wat zeg ik – heel veel water bij de wijn worden gedaan zodat het goedje ternauwernood nog drinkbaar is en uitsluitend aan wijn doet denken, meer niet.
De doorsnee lezer leest niet diepgaand, de doorsnee lezer wil worden vermaakt niet beleerd. Het genre: Light Verse sloeg goed aan, een boekje als Kikkerleed vloog als warm broodje over de toonbank van de uitgeverij – bij aanvang RMB Private Press geheten, later RMB Press en nu RMB literair – vooral in het leven gezet uit liefhebberij, niet om eraan te verdienen. Het is allemaal te vinden via Google, een hele geruststelling en tevens niet. Herkenning is één, erkenning iets geheel anders, helaas gaan beide niet hand in hand.

En de boer; hij ploegt eenzaam voort, zijn woord voedt de aarde en is niet alleen een taak geworden (professie met een deftig woord) doch bovenal een niet meer weg te denken ingrediënt. Zonder geen taart, hoe minder zoet zou een leven dan zijn?

 

Geplaatst in Column, Publicaties, Schrijverschap, Van de werkvloer | Een reactie plaatsen

Het warm van een verloren zekerheid

Filosofie; wie heeft zich niet eraan bezondigd doch bij gebrek aan tastbaar resultaat voorgoed achter zich gelaten. Terug tot de rauwe realiteit der dag waarin heel lang voor een beetje belegd brood moest worden gesappeld en op sommige plekken nog steeds met veel gezwoeg niet of ternauwernood wordt verdiend.
Malochen heet dat in de Duitse taal, en daar kan men het weten, de geschiedenis van het denken is mede ontstaan door een aantal Germaanse namen. Van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) tot Friedrich Nietsche (1844-1900). Emanuel Kant (1724-1804) en Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831). Arthur Schopenhauer (1788-1860) of Karl Marx (1818-1883). En om iets meer bij de tijd te blijven; Martin Heidegger (1889-1976), Theodor Adorno (1903-1969) en Hannah Arendt (1906-1975).
De lijst kan naar believen worden aangevuld. Wat hebben de Lage Landen in te brengen: Frau Antje om onze handelsinslag te onderstrepen doch zeker niet de gretigheid tot nadenken. Nou vooruit: Baruch Spinoza (1632-1677) en Desederius Erasmus (1466-1536) hoewel laatste meer buiten de landsgrens toefde dan erbinnen. Hij overleed in Bazel, gebazeld heet hij niet. Zo zijn er nog een paar nog minder bekend en in de vergetelheid geraakt omdat denken niet meer wordt onderwezen, ergo, nooit hoog op de agenda heeft gestaan.

Een lepel vol fatsoen

Filosofie; het moet in de peuterzaal al beginnen wil het later ooit beklijven en een lijf anders in het leven laten staan. Het moet de paplepel worden ingegoten, de Bibelebontse berg ontstaat niet vanzelf.
Die van Babylon wel, een toren vol spraakverwarring, daarvoor hoeft men nauwelijks iets te doen, groeit in ieder geval als kool en weet van geen keer alleen zweren bij de eigen heiligheid doch bovenal gelijk.
Zo zijn we als ware opgezadeld met de rudimenten van een verlorenheid, maar kunnen niet mennen omdat de teugels ten enen male ontbreken los gezien van de vraag of het bit nog wel past. De zaak ruiterlijk teruggebracht tot een aantal termen uit de paardenwereld. Vermaak om het leed dat blijft schrijnen althans voor een denker, hij die zich de moeite gunt in alle rust ervoor te gaan zitten en stap voor stap de situatie analyseert. Het terugbrengen naar de elementaire delen, de kern van de zaak en vanuit daar proberen een draadje te vlechten. Een link leggen zoals dat heel link in moderne spraak heet.
De denkers van hierboven hadden nog geen last van het Internet noch de sociale media anders dan op de markt in het voorbijgaan aan de groentekraam waar de laatste wetens-waardigheden werden uitgewisseld. Het vermaledijde over de tong gaan (achterklap) zal daarbij een niet onbelangrijke rol hebben gespeeld.
Sociale media avant la lettre; zo bleef men in beeld. Het los laten van tijd biedt een ander perspectief. De filosoof van vroeger had de tijd zonder die te hoeven nemen, vaak een horde te veel. Vanuit de schijnbare rust konden zijn ideeën ontstaan en verder worden uitgewerkt, dat daarvoor soms een heel leven nodig is geweest, is iets dat wij nu graag over hoofd willen zien. Wij denken in haast de dingen voor elkaar te kunnen krijgen en zijn daarmee aan ons zelf voorbij gegaan.

Een mooi citaat

Om iets van het gemis te verzachten werden er belachelijke instituten opgericht.
Dichter des vaderlands is er zo een. De zo benoemde dichter die zich voor de gelegenheid leent en bij elke officiële plechtigheid dan wel rouw om een verlies, zijn eveneens gelegenheidsversje mag schrijven en ten gehore brengen als het even kan, want er gaat niets boven de voordracht. Daar hapert het dan ook vaak omdat de benoemde schrijver wellicht kan dichten doch voorbeeldig uit de mond laten rollen is vers twee.
Zo kwam er ook de filosoof des vaderlands nog minder bekend dan de dichter.
René Gude (1957-2015) was de voorlaatste voordat hij vroegtijdig het leven verliet. Nee, niet bewust verkozen omdat het lijden misschien iets te veel op zijn schouders rustte, een ziekte heeft hem geveld. Hij nam, maar liet ook iets achter. Veel huis, tuin en keuken wijsheden voor Jan met de pet en Mien met de muts die zich geen jota ervan hebben aangetrokken laat staan geïncorporeerd in hun afgemeten (doorgaans ook afgematte) leven. René zei: Ik zou mijzelf wel iets toevertrouwen, namelijk dat ik efficiënter gebruik had kunnen maken van de ervaring van anderen in het uitvinden van mijn eigen, hoogstpersoonlijke weg door het leven. Ik heb te vaak gedacht dat ik het zelf moest uitzoeken. Voor een deel is dat ook de geest der tijd; we hebben een individualistische sfeer opgetrokken waarin mensen het idee hebben dat ze het allemaal zelf moeten doen. Dat is onzin, want alles is al uitgezocht door iedereen die dat ook weer hoogstpersoonlijk en strikt persoonlijk heeft gedaan. Dat elan, waar ik al jaren op hamer, maar de spijker niet in het hout kan doordringen knoestig als het is en zich niet laat beschaven. Geen krullen van welzijn die overvloedigheid bezegelen als zijnde afgedaan. Geen slijpsel van een scherp mens dat zonder bloeden de scherpe kantjes eraf haalt. Ook geen botte bijl die met één klap teniet doet wat moeizaam werd opgebouwd doch een zachte beitel, de guts, die langzaam een gootje trekt waarin het overvloedige kan afvloeien zonder overstro-mingen. Het elan waarin men zonder vrees kan leven en om met René te spreken: eens moet het zo zijn geweest anders was er geen overlevering.

Het fraai van dichters dichten

Wellicht is het toch de filosoof die veel ervan – zo niet alles – heeft verzonnen, misschien moet en mag de verandering alleen op zijn conto worden geschreven en laat de rest der mensen buiten spel. Men moet zichzelf af en toe een beetje geweld willen aandoen om een gewenste verandering lichaam te laten krijgen. Het liever lui dan moe principe en hoofd wenden naar het water waar geen schip vaart, is de weg van de minste weerstand en dus de veilige weg zelfs al is ze nog zo kunstmatig. Wie een sprookje creëert moet er vervolgens in geloven anders zet hij of zij zichzelf volslagen voor gek.
Meester Prikkebeen; hij telt de dagen met z’n lied, waar komt hij vandaan? Meester Prikkebeen; geen mens kent zijn naam.
Wie kent het nog? Een vrij mysterieus lied uit de hoogtijdagen der hippiebeweging gezongen door Boudewijn de Groot. Een handvol opstandelingen voor wie het elan van de industriële re- en evolutie met haar meedogenloze verwording had afgedaan.
Industriële overvloed, het uitbraken van een oneindige stroom hebbedingetjes die verder nergens toe dienen. Een lege huls voor een leeg gevoel.
Een handvol vredelievende rebellen die het weten lieten vernevelen met de zoete rook van een marihuana sigaret ook wel joint genaamd omdat het liefst samen eraan werd gepaft. Van lip tot lip ging de vredesstick een ronde langs de gelederen met bandjes in hun haar, kralen en kettingen, de parels van een nieuw begin.
Helaas is het een vroegtijdige dood gestorven of om met Gude te spreken; het wist de geest der tijd niet aan zijn zijde te krijgen, een sfeer die er blijkbaar nog niet rijp voor was.
De spirit die op de een of andere manier terug in de fles werd gestopt vol kleinburger-lijkheid, kurk erop en nooit meer van gehoord waaruit geconcludeerd mag worden dat burgerlijkheid de kurk is waarop veel drijft.
De brave burger uiteraard, maar daardoor ook heel saai en zeer voorspelbaar.
Het was een frisse wind die nietsontziend werd ingedamd tot ze net zo muf begon te ruiken. Het was de grote angst voor iedere stap buiten zichzelf. Het was een eenmalige kans, want een tweede zou zich op termijn niet aandienen alleen in sterk verkruimelde vorm, zo, dat het de voorpagina van de krant nooit heeft gehaald.
De jongens met de bandjes in hun haar zijn roemloos ten onder gegaan, een stille dood gestorven die in een enkel persoonlijk getint verhaal levendig wordt gehouden.
De dichter en zijn daad staat op gelijke voet met de filosoof, de een vult het andere aan en is een verdomd mooi vers geworden. Jammer, dat er zo weinig van het ware dichten wordt begrepen. Wellicht moet er niets begrepen worden alleen ondergaan als een warm bad of desnoods verstoten tegen de status quo, niet gemeen, wel gemeend.
Status quo; dat precaire evenwicht en het goed en kwaad even van elkaar gescheiden houdt en niets of niemand hoeft te vechten om wat het betere is. Bekvechten vooral, maar hoe ruwer de mond (minder beschaafd) zo ongeslepen wordt haar taal die op een gegeven moment niet meer valt aan te horen. Wat zei de dichter ook al weer: Er is geen keer in dit hulpeloze universum, slechts een verdergaan op het pad dat ogenschijnlijk zo werd geplaveid.

 

Geplaatst in Column, Filosofie | Een reactie plaatsen